Met een bezweet voorhoofd en geen weg terug besluit ik te gaan, naar waar ik het liefste niet zou willen zijn, bij haar.
Ellenlange discussies over goed en kwaad, het nieuws en wat een klote weer vandaag, is alles wat ik te horen zal krijgen.
Waarom doe ik dit, keer op keer, weer langs gaan bij haar, ik weet nu toch onderhand wel dat ik mezelf alleen maar kwel.
Toch heeft ze me nodig, keer op keer, mijn aanwezigheid laat haar opbloeien uit de ellende die ze in haar leven als een veel te zware rugzak om heeft gehad.
Maar waarom ik, is er dan niemand anders, die net als mij, het niet wil, maar het als een sociale plicht ervaart, haar te vereren met een bezoekje.
Zonder dat mijn gevoel er beter op word.
Ik weet het wel, ze heeft me nodig, alleen is ook maar alleen, ik haar geval is alleen nog mild uitgedrukt, haar leven, de ellende, de pijn, het afzien keer op keer, "leven" is misschien niet het juiste woord, maar een andere bewoording schiet mij zo een twee drie niet te binnen.
Getekend door alles wat haar overkomen is, te lezen als een boek op haar gelaat, verbitterd, verzuurd door alles, onwetend, passief en negatief.
Of ik koffie wil, ik twijfel, koffie met of zonder gal.
Of ik het naar mijn zin heb hier, met haar, vandaag...
Ik besluit om mezelf feller op te stellen tegenover haar, terug te bijten, als ze me weer eens toesnauwt, onbegonnen werk, besef ik me al snel.
Hoe komt iemand zo verbitterd, in al haar jaren hier in deze wereld, moet ze toch wel eens het geluk geproefd hebben.
Ik zucht diep, het heeft geen zin, niks kan haar opbeuren, niemand kan haar opvrolijken, zij is door en door aangeslagen door het leven.
Zou ze ooit het geluk voelen, ervaren dat het leven, ondanks alle ellende, ook zijn goede kanten heeft, ik twijfel en zucht nog maar eens.
Luisteren, zuchten, mezelf rot voelen, waarom doe ik mezelf dit keer op keer weer aan.
Niemand, maar echt niemand, komt eens een keer langs, niet dat ik haar het toonbeeld vind van een uitnodigende vrolijkheid, alles behalve dat, maar alleen is voor haar echt alleen.
Hoe is haar jeugd geweest, vraag ik mezelf af.
Geen foto`s van vroeger, geen herinnering, geen aandenken aan een "ooit was er iets moois in mijn leven ".
Toch weet ik dat ze blij is als ik kom, tevreden dat ik braaf kom, is misschien een beter gezegde.
Elke keer weer, wil ik niet meer, maar ik moet.
Ik verplicht mezelf om dit drama keer op keer weer te beleven, terwijl ik het niet wil, maar ik moet.
Wat is hetgeen aan haar, datgene wat mij verplicht weer te komen, en te zitten, te luisteren, te zuchten.
Er is wel iets, iets moois misschien, iets aparts, een vorm van schoonheid diep, weggestopt in al haar ellende, haar leven.
Waarom is er verder niemand, die zich om haar bekommerd, haar bezoekt, of gewoon eens opbelt.
Kerstkaarten zullen haar deur ook wel voorbijgaan, alleen de belastingdienst stuurt trouw een brief.
Zal ze ooit, het zal toch wel, zichzelf opgelaten hebben gevoeld omdat het bijna 5 december of kerst is, oud en nieuw beleefd hebben als wij.
Niemand is van geboorte af aan zo bitter.
Ongelukkig zijn is een levenswijze voor haar en mijn verplichting is om dit keer op keer weer mee te maken.
Keer op keer, keer na keer, elke keer.
Ik troost me met de gedachte, dat ze op een dag, er gewoonweg niet meer is, misschien is ze dan echt gelukkig, ik twijfel.
Hardvochtigheid, wreedheid jegens zichzelf, zelfkwelling en ik ben er weer, omdat het "moet".
Ik doe het mezelf aan, net als zij het zichzelf aandoet, het enige verschil is dat ik me gedwongen voel, te komen.
Morgen niet, morgen zit ik ver weg, kan niet komen, maar ik kom snel weer.
Niet omdat ik wil, maar omdat het moet.
...
dinsdag 9 oktober 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten